Chris van Vliet - Een koe kan wel eens een haas vangen

Chris. J. van Vliet en dit boek werd in 1982 besproken in een drietal columns van Peter Post in de Goudse Courant. Het boek wordt daarin abusievelijk ‘Hoe een koe een haas kan vangen’ genoemd.

Uit de Goudse Courant van 17 april 1982

‘Nog steeds herlees ik af en toe de onlangs verschenen misdaadroman Moord in de Kaasstad, die zich geheel in Gouda afspeelt, en waarin niet alleen de secretaresse van de Goudse burgemeester wordt vermoord, maar ook door duistere onroerendgoedfiguren wordt gemanipuleerd rond het Nieuwe Marktplan’.

‘Maar wist jij nou ook dat Gouda al éérder het onderwerp was van een spannende detective-story, die kort na de oorlog is verschenen?’

Deze intrigerende vraag werd mij onlangs gesteld door binnenstadbewoner Martin Theussen - een Gouwenaar die ik niet alleen bewonder om zijn fijnzinnig geschreven columns, maar ook om zijn bizarre nachtelijk uitgezonden radioprogramma‘s, die hij ooit als KRO-medewerker vervaardigde onder de noemer Nachtspiegel.

Ik moest hem het antwoord schuldig blijven. Natuurlijk ken ik Pim Hofdorp’s slecht-geschreven Goudse speurdersromannetje Gegooi in de Glazen. En, maar dan met meer interesse, heb ik ook de roman van Rico Bulthuis ‘Het kind dat spelen moest’ gelezen - een tragikomisch relaas over een jongetje dat, ongewild, het overspel verraadt dat zijn oom en tante plegen in een smederij-kachelzaak aan de Oosthaven.

Maar de na-oorlogse detective, die Theussen had opgedolven, was voor mij geheel onbekend. Zijn sterk vergeelde en voor mij volstrekt onbekende boek mocht ik dan ook prompt een weekendje lezen. En hoewel het nogal gedateerd was qua taalgebruik, heb ik er een paar aardige uurtjes aan beleefd.

De schrijver, ene Chr. J. van Vliet, gaf zijn Goudse detective-story de onwaarschijnlijke titel mee: ‘Hoe een koe een haas kan vangen.’ Onder die titel wordt vermeld: ‘Gedachtenprestatie van patiënten-werknemers, opgenomen in de Nederlandsche Zaak, Herstellingsoord Unicum.’

Hoewel het Goudse boek geen jaartal vermeldt, vermoed ik dat het kort na de oorlog uitkwam, en wel bij N.V. Johan Mulder’s Uitgevers maatschappij in Gouda - een bedrijf, dat inmiddels ook al lang is verdwenen.

Schrijver Van Vliet schetst in zijn detective hoe enkele koene Goudse jongens een Gouwenaar uit de nood redden, die zijn geld - hoe onverstandig - onder de vloer van zijn oude stoomblekerij aan de Burgemeester Martenssingel had bewaard. Een onverlaat ploegde de vloer van wasserij De Witte Boord om, nam het geld weg en stortte de eigenaar in het verderf. Want deze man had bovendien nog te maken met de felle concurrentie van een andere stoomwasserij, Het Witte Hemd geheten, en gevestigd aan de Blekerssingel.

Gelukkig had ene J. de Zwart, eigenaar van de Eerste Goudse Begrafenisonderneming aan de Kattensingel, een onverschrokken zoon, die met zijn vrienden licht in de duisternis wist te brengen. Maar alvorens het zover kwam, moesten talloze problemen worden opgelost.

De politiecommissaris deed in het boek eerst nog wat moeilijk, en geloofde niet in het speurwerk van de spitse Goudse jongens. Maar tenslotte erkende ook hij hun kwaliteiten, en komt alles goed.

‘Ik heb ervan genoten’, zei ik, geheel naar waarheid, tegen Martin Theussen. Jammer genoeg moest ik z’n Goudse boek weer teruggeven. En in de handel is ‘t helaas niet meer verkrijgbaar.

Pieter Post

Uit de Goudse Courant van 24 april 1982

Afgelopen zaterdag vroeg ik me in dit wekelijkse kolommetje af wie Gouwenaar Chr. J. van Vliet was.

Ik kwam zijn naam tegen als schrijver van een mij onbekende detective, die kort na de oorlog verscheen onder de titel ‘Hoe een koe een haas kan vangen’.

Twee Gouwenaars brachten licht in de duisternis. Dr. J.L. van Eijk van de Graaf Florisweg reageerde, en haalde herinneringen op aan die markante maar inmiddels overleden stadgenoot. En ook de heer C. Rodenberg uit de Gravin Jacobastraat, getalenteerd amateur-schilder, nam contact met mij op. Hij schreef me: ‘Hooggewaardeerde Pieter Post. In uw wekelijkse rubriek ‘Gouda, anders bekeken’ besteedde u aandacht aan ene Chr. J. van Vliet op. Jarenlang heb ik Chris van Vliet op de Kaarsenfabriek Gouda-Apollo meegemaakt, aan de bittertafel in de Beursklok, ook zijn broer Arie (de bekende verzekeringsman, die aan de Noord-Steijnkade woonde), en broer Gerrit, in dienst bij de Gemeenteontvanger op de Lage Gouwe.

In het begin van de jaren dertig trad Chrissie van Vliet, als 16- à 17-jarige, als jongste bediende bij ons op de Kaarsenfabriek (afdeling Binnenland, chef: de heer Geeverding) in dienst. Zijn enthousiasme was niet te stuiten, dat bleek aldra. En dat is zijn hele diensttijd bij ons zo gebleven.

Hij bracht het al snel tot vertegenwoordiger in de Kaarsenbranche. En het moet worden gezegd, hij zag in de moeilijke crisisjaren kans om flinke orders in de wacht te slepen. Zijn aanleg te kunnen ‘praten als Brugman’ maakte dat hij bij de commercieel-directeur, ir. C. van Loon, tegen wie wij in die tijd enorm opzagen, een potje kon breken.

Hij ging er prat op dat hij eens ‘n grote afnemer van kaarsen voor ons had gewonnen, waarvan de heer Van Loon hem had gezegd dat het ‘m nooit zou lukken. Tijdens het rapporteren aan Ir. Van Loon pakte hij diens hoed, zette hem op het hoofd van de grote baas en gebood hem de hoed uit eerbied voor de geweldige Chris van Vliet weer af te nemen. Of de blauwbloedige heer Van Loon de grap leuk vond, weet ik niet. Chris van Vliet zij mij, uiteraard, van wel.

Op den duur evenwel ging zijn vlucht te hoog. Ik herinner me nog dat ik hem zei: ‘Chris, je staat niet meer met beide benen op de grond’. Het geschiedde in die dagen dat een Amerikaan, een kanjer van een zakenman, Holland bezocht om grote zaken te doen. Hij logeerde in het Amstelhotel in Amsterdam, waar het puikje uit het zakenleven in de rij stond voor een kort gesprek Zelfs ir. Van Loon kreeg geen slag aan de bak. ,,Mag ik ‘t proberen?’ vroeg Chris. ‘Ach, Van Vliet, wat zou je’ kreeg hij ten antwoord. Ik was er toevallig getuige van. Onze big boss zei bijna nooit ‘ja’ of ‘nee’ We hadden de gewatteerde deur van de directiekamer nog maar net dichtgetrokken of Chris sloeg me op de schouder en zei: ‘Nou zal je wat beleven. ‘Boek alvast maar ruimte in schepen naar Amerika.’

Maar zo gek was ik niet’ aldus de herinneringen van Gouwenaar C. Rodenberg aan de Goudse ‘detective-schrijver’ Chris van Vliet.

Pieter Post.

Uit de Goudse Courant van 1 mei 1982

Wie was Chris J. van Vliet, de Gouwenaar die kort na de oorlog een Goudse detective schreef onder de titel ‘Hoe een koe een haas kan vangen’, en waarom liet hij dit opmerkelijke boek verschijnen?

Die vraag stelde ik 14 dagen geleden in dit wekelijkse kolommetje. En gelukkig zorgde een trouwe lezer van deze rubriek voor het antwoord op die vraag. De heer C. Rodenberg uit de Graaf Florisweg leverde oplossing, en zette zijn herinneringen aan Chr. van Vliet op papier.

Hierbij het laatste deel over Chr. J. van Vliet, die vertegenwoordiger was bij de kaarsenfabriek Gouda-Apollo en bekend stond om zijn onorthodoxe optreden.

De heer Rodenberg: ‘Chr. van Vliet slaagde erin om een keiharde Amerikaanse zakenman, die in het sjieke Amstelhotel in Amsterdam logeerde, te interesseren voor de producten van onze kaarsenfabriek. Hij boekte zélf ook een kamer, naast die van die Amerikaan, en legde op de gang een dure loper uit. En op het moment dat Gordon, zoals-ie heette, naar buiten kwam, sprak Chris van Vliet hem aan en zei: ‘Ik heb de loper uitgelegd, komt u even mij binnen om mijn collectie kaarsen te bekijken.

Mr. Gordon had schik in die voortvarende jongeman en ging op zijn voorstel in. Chris zei: ‘Bekijkt u even de monsters, dan ga ik nog even een collectie uit de auto halen’. Hij haastte zich naar de telefooncel en belde op de late avond de grote baas van de Kaarsenfabriek, ir. Van Loon in Den Haag. ‘Komt u direct naar het Amstelhotel, Mr. Cordon verwacht u’ ... Maar directeur Van Loon voelde er niets voor om opgetrommeld te worden.

Intussen deed Chris zijn zaken met de grote Amerikaan, hetgeen resulteerde in enkele proeforders’, aldus de brief van Gouwenaar Rodenburg, die vervolgt: ‘Ik heb er nog veel werk aan gehad, maar het is bij die kleine kaarsenzending gebleven.’

Om een idee te geven waartoe Chris van Vliet in staat was, het volgende. Op een zaterdagmiddag zaten mijn collega Janmaat en ik als redacteuren bij mij thuis het personeelsblad Kaarslicht op te maken, toen Chris van Vliet met zijn pompeuze auto voor de deur stond. Hij kwam om de uitvoering van de Amerikaanse kaarsenorders, het transport en vooral de uitvoerdocumenten met mij te bespreken. Voor het werk dat ik aan hem had, bracht hij een grote kist sigaren mee, in plaats van zijn detective.

Tesamen met de van hem te verwachten stuntverhalen nam dat gesprek de hele zaterdagmiddag in beslag. Het vroor die dag dat het kraakte. Toen ik hem tenslotte uitliet, zei hij: ‘Ik hoop dat mijn vrouw nog in de auto zit’. Ik keek, en ja, daar zat ze, na vier uur lang, verkleumd van de kou. Ik ben verschrikkelijk tegen hem uitgevaren. Lachend zei hij ‘Daar is ze aan gewend ...’ Ja, dat was Chris, ten voeten uit’.

Over het feit dat Chris van Vliet onder de titel ‘Hoe een koe een haas kan vangen’ een Goudse detective schreef, stelt de heer Rodenberg: ‘Hij heeft die geschreven om aan geld te komen voor het herstellingsoord Unicum, waar hij zich voor inspande.

De roman is inderdaad vlak na de oorlog uitgegeven.

Chris overleed op jonge leeftijd, na een operatie aan z’n blinde darm.’

Pieter Post

Naschrift

In mijn eigen exemplaar trof ik een brief aan waaruit onomstotelijk blijkt dat het boek in augustus 1947 is verschenen.

De boeken werden per beurtvaart bij de bestellers bezorgd. Uit de nota van de Beurtvaart blijkt dat het boek 4 gulden kost inclusief verzenden (rembours).

Rond die tijd is door Chris van Vliet ook nog een "Unicum Courant" uitgegeven waar men zich op kon abonneren.

Het hierboven genoemde boek "Een wonderlijk kind" is geen detective maar een familieroman.

HET VERHAAL GAAT NOG VERDER

Op de website http://home.hccnet.nl/e.a.v.vliet/historie/onder.htm staat het volgende te lezen over Van Vliet en zijn boeken:

De boeken van Christoffel Jacobus van Vliet (1916-1957)

Chris J. van Vliet (zoon van Martinus van Vliet) is de auteur van een tweetal ‘Goudse’ boeken. Het eerste boek is: ‘Een koe kan wel eens een haas vangen’.

Het andere heet: ‘Een wonderlijk kind’. Beide boeken zijn, waarschijnlijk eind jaren veertig begin jaren vijftig uitgegeven door de inmiddels verdwenen N.V. Johan Mulder’s uitgeversmaatschappij te Gouda.

‘Een koe kan wel eens een haas vangen’ heeft Chris geschreven om aan geld te komen voor de stichting van Unicum, een herstellingsoord te Heemstede (waaruit het latere Nieuw Unicum te Zandvoort is voortgekomen), een project voor de stichting waarvan zijn zwager, Jacobus Gerardus Maria (Jacques) Bergervoet (1910-1974) mede het initiatief heeft genomen.

Jacques had in zijn jeugd ‘kinderverlamming’ (poliomyelites anterior acuta) gehad. Als gevolg daarvan had hij een rolstoel nodig en moest hij bij veel van zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen geholpen worden. Hij was een ondernemende man en kon zijn ambities ondanks zijn handicap ook waarmaken omdat hij liefdevol werd verzorgd door zijn vrouw Aaltje Jacoba (Koog) van Vliet en huisgenote Mia Meijer, beiden verpleegkundigen.

Jacques trok zich het lot aan van de polio-patienten die het wat betreft verzorging en mogelijkheden voor emplooi minder goed hadden getroffen. Voor hen wilde hij een omgeving scheppen waar zij met de juiste zorg wat van hun leven konden maken. En zo ontstond het idee van het herstellingsoord Unicum, een woon- en werkgemeenschap waar men patient én werknemer kon zijn.

Jacques is jarenlang directeur geweest van het herstellingsoord. Zijn vrouw Koog was er hoofd huishouding en huisgenoot Mia hoofd verplegingdienst. Zonder de hulp van hen had hij waarschijnlijk zijn bestuurlijke werk niet kunnen doen.

‘Een koe kan wel eens een haas vangen’ wordt gepresenteerd als een ‘Gedachtenprestatie van patiënten-werknemers, opgenomen in de Nederlandsche Zaak Herstellingsoord Unicum’. Het verhaal is dus door de patienten-werknemers van Unicum verzonnen en Chris heeft dit materiaal tot boek heeft omgewerkt.

Het boek wordt gebracht als detectiveroman, maar het is, zoals al blijkt uit de flaptekst, meer een oubollig jongensboek. Voor oudere Gouwenaars, die er nog veel locaties in kunnen herkennen, is het zeker een leuk verhaal.

Flaptekst

Het boek van Chr. J.van Vliet, kort na WO II uitgegeven door Unicum in Heemstede (274 p.) bevindt zich in de Heemsteedse bewaarcollectie, tegenwoordig in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief in Haarlem.

Hieronder een citaat uit mijn publicatie 'Zorg aan de Duinrand' (Haarlem, 2000), waarin op pagina ook een foto staat van de (licht) gehandicapte) auteur en toenmalig directeur Van Vliet:

EEN NIEUWE BESTEMMING: STICHTING UNICUM (1) [betreft Kennemerduin aan de Herenweg, Heemstede. Eerst burgemeesterswoning, later gereformeerd bejaardenhuis, nu zorgcentrum]

Vila Kennmerduin (afgebroken 1962)

"De huidige instelling Nieuw Unicum in Zandvoort voor lichamelijk gehandicapten vond haar oorsprong in het huis Kareol te Aerdenhout, dat zich na 1940 had ontwikkeld tot een herstellingsoord ten behoeve van oorlogsinvaliden. In augustus 1945 is 'Kareol' (tijdelijk) bestemd als sanatorium voor verzetsdeelnemers. De op dat moment 9 'gewone' verpleegden moesten daarom verhuizen, eerst naar een kleine villa in de Zonnebloemlaan in Aerdenhout. Omdat het landhuis Kennemerduin niet meer bewoond werd is het door de familie Van Lennep verhuurd aan het herstellings- en en verplegingsoord voor invaliden en chronisch zieken (uitsluitend mannen). Personeel en vrienden brachten de nodige gelden bijeen, organiseerden collecties en mengden de burgerverpleegden met marinepersoneel om de exploitatie van het te renoveren huurpand in Heemstede mogelijk te maken.

Sinds 1948 is de instelling Nieuw Unicum geheten.

Oprichter en eerste directeur was de heer Chr. J.van Vliet. Hij was zelf invalide als gevolg van kinderverlamming. Uitgegeven door Unicum publiceerde hij een roman: 'een Koe kan wel eens een Haas vangen' met als ondertitel 'Gedachtenprestaties van patiënten-werknemers, opgenomen in de Nederlandsche zaak herstellingsoord "Unicum".

Voor het weinige (ten dele inwonende) verplegend en huishoudelijk personeel was hetvoor weinig loon laag en hard werken. De bewoners verdienden een zakcentje met het maken van allerlei nuttige en fraaie voorwerpen, van tafelmatjes tot oorbellen, die aan belangstellenden verkocht werden. (...)"

(1) Na enkele verhuizingen (o.a. Bloemenhove, (nu abortuskiniek) verrees in 1969-1970 in de duinen tussen Bentveld en Zandvoort het complex voor lichamelijk invaliden Nieuw Unicum dat nog altijd bestaat.

Vorige bericht Terug Volgend bericht